In de Wet Inkomstenbelasting 2001 wordt het inkomen verdeeld over 3
boxen. De boxen hebben elk een eigen belastingtarief. Er zijn derhalve
drie belastbare inkomens.
Box 1: belastbaar inkomen uit werk en woning.
In Box 1 vallen de inkomsten die direct of indirect betrekking hebben
op verrichte arbeid arbeid, alsmede inkomsten uit de eigen woning. Op
dit inkomen kunnen onder meer in mindering worden gebracht: uitgaven
voor inkomensvoorzieningen; uitgaven voor kinderopvang en
persoonsgebonden aftrek. Het inkomen in Box 1 wordt progressief belast
(maximaal 52%).
Voorbeelden van inkomen in Box 1: loon, inkomen van de
zelfstandig ondernemer, lijfrentetermijnen, pensioenuitkeringen,
uitkeringen uit een Gouden-Handdrukverzekering, sociale
zekerheidsuitkeringen, eigen-woningforfait en het rentebestanddeel in
de kapitaalverzekering eigen woning, voor zover dit niet is
vrijgesteld. Voorbeelden van aftrekposten in Box 1: hypotheekrente
(voor de eigen woning) en premies voor lijfrente- en
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
Box 2: belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang.
Belast wordt -onder meer- de winst gerealiseerd bij vervreemding van,
en de dividenduitkering op aanmerkelijk belangaandelen. Een
belastingplichtige heeft een aanmerkelijk belang indien hij tenminste
5% van het geplaatste aandelenkapitaal bezit. Het belastbare inkomen
uit aanmerkelijk belang wordt belast naar een vast tarief van 25%.
Box 3: belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
In deze box vindt belastingheffing plaats over een verondersteld
rendement van 4% over het saldo van de bezittingen minus de schulden.
Het tarief bedraagt 30%. Consumptiegoederen worden daarbij niet als
bezitting in aanmerking genomen. Daarnaast gelden diverse
vrijstellingen, bijvoorbeeld voor geblokkeerde tegoeden van een
bedrijfsspaarregeling en voor zogenaamde maatschappelijke beleggingen.
Voor elke belastingplichtige geldt een heffingvrij vermogen van
€ 20.661,-- (2010). Belastingplichtigen met minderjarige kinderen
kunnen het heffingvrije vermogen verhogen met een bedrag van € 24.000,--
(2010) per kind. Voorbeelden van vermogensbestanddelen (positief en
negatief) in Box 3: de tweede woning, banktegoeden, aandelen (geen
aanmerkelijk-belang), schulden aangegaan voor de tweede woning en
schulden voor aankoop van consumptieve goederen.
Persoonsgebonden aftrek.
De persoonsgebonden aftrek bestaat uit onder andere: alimentatie,
scholingsuitgaven in verband met een studie, uitgaven voor
levensonderhoud van kinderen en giften. De persoonsgebonden aftrek
vermindert eerst het inkomen in Box 1, daarna het inkomen in Box 3 en
vervolgens het inkomen in Box 2. Er kan echter geen negatief inkomen
ontstaan. Een eventueel restant van deze aftrekpost dient met het
inkomen van de volgende jaren te worden verrekend.
Toerekening van inkomen tussen partners.
Partners kunnen de bestanddelen van Box 3 én gemeenschappelijke
inkomsten (inkomsten uit eigen woning en uit aanmerkelijk belang,
uitgaven voor kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek) op verzoek in
elke gewenste verhouding verdelen. Overige inkomsten worden belast bij
degene die de inkomsten geniet.
Heffingskorting.
Op de totaal verschuldigde belasting wordt vervolgens een
heffingskorting verleend. De heffingskorting is opgebouwd uit een
aantal elementen, waaronder: de algemene heffingskorting (€ 1.987,--
(2010)); de arbeidskorting (hoogte afhankelijk van de leeftijd); de
(aanvullende) alleenstaande ouderkorting en de (aanvullende)
ouderenkorting, jonggehandicaptenkorting, korting voor maatschappelijke
beleggingen en durfkapitaal.
Terug naar Eigen Huis en de fiscus